Over hergebruik van een melodie

De orthodox-lutherse hymnologen uit Bachs tijd waren niet alleen kritisch over het onzorgvuldig gebruik van de liedteksten, ze maakten zich ook zorgen over het hergebruik van melodieën. De meeste liedbundels werden gedrukt zonder melodienotatie, omdat dat een kostbare productie was. Bovendien maakten dichters vaak nieuwe teksten op bestaande en bekende melodieën. In de liedbundel was een verwijzing “op de melodie van …” dus al voldoende.

Een probleem ontstond als de dichter geen rekening hield met het karakter van de melodie of de relatie met de oorspronkelijke tekst. Die klinkt immers onbewust ook nog mee in het geheugen van de gelovige. Als er dan een nieuwe vreugdevolle tekst wordt gezongen op een melodie die men eerder kende als lied waarin de nood wordt uitgezongen (of andersom), raakt de gelovige in verwarring.

Wat doet Bach ermee?

In de collectie koraalcantates gebruikt Bach vooral de oudere lutherse liederen. Dus liederen met de oorspronkelijke of meest vertrouwde melodie. Er is er eentje met een lied waarin een bestaande melodie van een nieuwe tekst is voorzien. Het bijzondere is dat deze twee cantates, het oorspronkelijke lied en de hergebruikte melodie, direct een week na elkaar zijn uitgevoerd. Het gaat hier om het lied Was mein Gott will, das gscheh allzeit (BWV 111). Een week later werd dezelfde melodie opnieuw gebruikt, maar nu bij het lied van Paul Gerhardt Ich hab in Gottes Herz und Sinn (BWV 92).

Andere onderzoekers (zoals Konrad Küster en Martin Petzoldt) merkten al op dat dit vast geen toeval kon zijn, maar dat er wel verschil is in de behandeling van de melodie in de beide cantates. Verder hebben zij geen verklaring hiervoor. Wanneer we echter kijken naar de opvattingen over troost van Luther dan wordt ineens duidelijk dat de inhoud van de beide liedteksten met elkaar verbonden wordt in de twee cantates.

In Was mein Gott will, das gscheh allzeit getuigen tekst en muziek al direct in het openingskoraal van ferme geloofszekerheid (“Wer Gott vertraut, fest auf ihn baut”), waarbij het koor wordt begeleid door twee hobo’s, drie strijkers en continuo. In de eerste aria (deel 2) en in het recitatief (deel 3) wordt duidelijk gemaakt dat onttrekking aan Gods wil zinloos is en vervolgens benadrukt de rest van de cantate vooral de waarde van een gelovig Godsvertrouwen.

In het lied van Gerhardt, Ich hab in Gottes Herz und Sinn, worden weliswaar andere emoties  aangesproken, maar de tekstinhoud kan hier juist die van het eerste lied versterken. Het lied van Gerhardt kan worden gezien als een vervolg op de overgave aan Gods wil, waarbij nu de nadruk wordt gelegd op tegenslagen, die door de gelovige met geduld aanvaard kunnen worden.

Misschien bood het hergebruik van de melodie hier nu juist een kans voor de gewenste verbinding, waarbij Bach na de verzekering van troost door het geloof in BWV 111 een week later in BWV 92 meer dramatische effecten kon benutten om het lijden te verklanken, afgewisseld met kalme delen waarin Gods steun voor de gelovige wordt herbevestigd. De slotregel uit het koraal van BWV 111, “Drauf sprech ich fröhlich Amen”, keert bovendien als verbindend element terug “Amen; Vater nimm mich an!” (BWV 92:8), terwijl dit amen niet in het lied van Gerhardt voorkomt.

Dubbel troost-recept van Luther

Geduldige aanvaarding van Gods leiding en gelovig vertrouwen op zijn genade vormden een belangrijk thema in Bachs tijd. Het zal leiden tot vreugde na verdriet, tot een zalig einde en uiteindelijk een verblijf in de hemel (“in deinem Saal”). De troostende boodschap is de belofte dat vertrouwen op Gods voorzienigheid voldoende is om alle Anfechtungen te kunnen weerstaan. Mede door de gelijke melodie van de liederen van BWV 111 en 92 worden in beide cantates samen de twee troostrecepten van Luther gepresenteerd. De ene is gericht op troost bij angst voor het lot van de ziel na de dood, de andere is angst voor bedreigingen tijdens het leven. De eerste angst kan worden beteugeld met een rotsvast geloof en vertrouwen op God, de tweede door in momenten van lijden de aandacht te richten op Jezus. Die twee ‘recepten’ worden hier met elkaar verbonden als een soort tweeluik in de twee cantates. Opvallend daarbij is bovendien dat in het lied van Gerhardt de naam van Jezus ontbreekt, terwijl die in de cantatetekst zeven keer voorkomt.

Nieuwsbrief

In de aanloop naar het jubileumseizoen 2024/2025 ondersteunen we je graag met plannen, informatie en tips. Abonneer je op de gratis nieuwsbrief.

Recente berichten